|
Enkhuizen
Het carillon zingt helder door den regen, den bleeken regen van mijn vaderland, en kleine grijze golven breken tegen de leege schepen aan den waterkant,
en als het stil wordt nemen allerwegen de oude dagen weder overhand: hier hebben schepen uit den Oost gelegen, het regent en de haven is verzand,
de lichte jaren zijn voorbij gevlogen, nog wachten huizen in een smalle rij, zij staren over zee met moede oogen:
de hoop laat niets, geen mensch, geen ding, meer vrij, zij wachten en wat zingt de hoop? Een logen, want 't regent zacht en 't is voorgoed voorbij.
Uit Controversen, Eric van der Steen, 1938
|