|
Kinderen
De kinderen gaan langzaam door de regen, zij hebben bloemen aan elkaar geregen, zij spelen stil en ingetogen, want zij hebben witte bloemen meegekregen.
De regen hield zijn adem in, de wind bleef stilstaan en keek naar het witte kind, de maan scheen als zij soms zich kon bezeren en voor haar voeten glinsterde het grind.
Zij vonden roosjes, bramen en een strik, (één viel erin en huilde van de schrik) zij klommen op een heel hoog duin en zagen de zee en waren stil, één ogenblik.
De goede slaap is voor het raam gekomen en heeft de kinderen bij zich genomen en samen zijn zij naar het land gegaan waar oude mensen niet van kunnen dromen.
Uit Droesem, Eric van der Steen, 1933
|