|
ERIC VAN DER STEEN door Rudi van der Paardt
Biografie - Eric van der Steen, pseudoniem voor Dick Zijlstra, werd op 14 september 1907 als tweede zoon van een tandarts te Alkmaar geboren, waar hij de lagere school en vervolgens het Murmellius gymnasium doorliep (1919-1925). Op die (landelijk befaamde) school ontstond de schuilnaam, waarmee hij als auteur in de Nederlandse letteren een heel eigen plaats heeft verworven. Als leerling schreef hij ‘gevoelige versjes’, maar wilde vervolgens een steviger soort poëzie gaan schrijven. Daarom koos hij een achternaam, waardoor hardheid werd gesuggereerd en de voornaam Eric vanwege de welluidendheid. Zijn eerste verzen ‘nieuwe stijl’ publiceerde hij in het tijdschrift Jong Studentenblad. Behalve met literatuur hield hij zich als gymnasiast veel met sport (de tweede rode draad in zijn leven) bezig: hij voetbalde in het tweede elftal van de destijds hoog geklasseerde vereniging Alcmaria Victrix. Na zijn eindexamen ging hij in Leiden rechten studeren. Veel belangstelling voor de studie had hij niet en met gedachten over een toekomstige maatschappelijke carrière hield hij zich evenmin bezig. Wat hij wel belangrijke zaken vond waren sport en literatuur. Als roeier maakte hij deel uit van de acht van Njord, een subvereniging van het Leids Studentencorps, die in 1927 kampioen van Nederland werd. Of hij als beginnend student al schreef is niet bekend, maar vanaf 1928 vervaardigde hij in ieder geval vele tientallen gedichten, die enkele jaren later in drie bundels terecht zijn gekomen. Na zijn studie afgerond te hebben (november 1930), maakte hij een reis langs de landen van de Middellandse Zee, met Rome als eindpunt, ‘een voetreis avant la lettre’, waarvan de neerslag met name in Kortom (1938) is te zien. Na terugkomst vervulde hij zijn dienstplicht te Kampen. Toen die in 1932 was beëindigd, nam hij wederom intrek in de ouderlijk woning, die inmiddels in De Bilt (Utrecht) stond. Hendrik Marsman, die zich in 1929 als advocaat te Utrecht had gevestigd en hem als beginnend dichter kende, heeft nog zijn best gedaan voor hem een positie als jurist te vinden. Toen dat niet bleek te gelukken, nam Van der Steen genoegen met het niet al te veeleisende, hem voor de literatuur tijd vrijlatende, werk van administrateur van de Noordhollandse voetbalbond, een functie die hij in Alkmaar vanaf 1934 tot het einde van de oorlog vervulde. De magere inkomsten die hij daarmee verwierf, kon hij aanvullen met een kleine erfenis. Gedurende de oorlogsjaren hield hij lezingen bij particulieren thuis om wat extra te verdienen. In de overtuiging dat het tijd was voor werk van langere adem, begon hij fictioneel proza te schrijven, mede omdat hij dan met de voorschotten voor verhalen en romans op meer inkomsten zou kunnen rekenen. In de oorlog konden zijn boeken niet verschijnen (wie niet bij de Kultuurkamer was aangesloten, had een publicatieverbod), maar daarna kwam een stroom prozawerken bij diverse uitgevers op gang. In 1945 trad Van der Steen in dienst bij het (nieuwe, eerder ‘ondergrondse’) dagblad Het Parool, waarvoor hij naar Amsterdam verhuisde. Hij was eerst secretaris van de hoofdredacteur Van Heuven Goedhart, maar werd vrij snel redacteur onderwijs en wetenschappen, in welke hoedanigheid hij talrijke artikelen publiceerde, met name over de plannen het middelbaar onderwijs te reorganiseren (de ‘Mammoetwet’, die pas in 1968 in werking zou treden.). Dit was een volledige baan, zodat hij niet veel tijd meer over hield voor de literatuur: zijn bibliografie laat zien dat hij in de jaren vijftig en zestig nog maar weinig poëzie en fictioneel proza produceerde en zich meer toelegde op journalistieke opdrachten. Voor Het Parool bedacht hij, nog voordat hij in 1972 met pensoen ging, een nieuwe rubriek (die later, niet alleen in ‘zijn’ krant, door anderen zou worden nagevolgd): onder het pseudoniem Eric Esurio (Latijn voor ‘Ik heb honger’) schreef hij ‘columns’, waarin hij de kwaliteiten van Amsterdamse restaurants beoordeelde. Zij zijn gebundeld in twee boeken, die respectievelijk in 1971 en 1974 verschenen. Onder eigen naam bundelde hij zijn kranteninterviews met topsporters van vlak voor en na de oorlog, zoals de voetballers Kick Smit en Bep Bakhuys en Fanny Blankers-Koen, in Sportsterren van toen (1971). Van der Steen publiceerde zijn literaire bijdragen in de tijdschriften De Gemeenschap, De Vrije Bladen, Criterium, Helikon, Het boek van nu, Literair Paspoort, De Tweede Ronde, Avenue Literair en het reclameblad Ariadne. Hij werd twee maal voor zijn literaire werk onderscheiden: in 1951 werd hem een reisbeurs van f. 2000 toegekend (voor de novelle Vuurwater), evenals aan Jo Boer en G.K. van het Reve (voor de commotie rond deze beurzen zie Aarts in zijn nawoord bij Het graf van Heinrich Heine [2007]); in 1985 werd hem samen met Han G. Hoekstra, eveneens oud-redacteur bij Het Parool, de Jacobsonpenning, een oeuvreprijs van het Tollensfonds, toegekend. Eric van der Steen overleed aan prostaatkanker te Amsterdam op 3 november 1985 en werd in kleine kring begraven op de Algemene Begraafplaats in Alkmaar. Hij was sinds 1935 getrouwd met Margaret Buis, tot haar huwelijk onderwijzeres; daarna voltooide zij een studie politiek-sociale wetenschappen. Uit het huwelijk zijn geen kinderen voortgekomen.
2. Kritische beschouwing Het literaire werk van Eric van der Steen bestaat uit drie genres: poëzie, fictioneel en aforistisch proza, alsmede kritische beschouwingen en interviews met collega’s in tijdschriften, die echter niet zijn gebundeld en hier, evenmin als zijn journalistieke publicaties, aan de orde komen, zodat we een tweedeling overhouden. Opvallend is dat deze dichotomie vrijwel geheel overeenstemt met de chronologie: voor en vlak na de oorlog publiceerde Van der Steen uitsluitend poëzie, daarna, met een enkele uitzondering, verhalen, novellen en romans (waaronder een jeugdboek) Stijl en een bundeltje aforismen. Er is een duidelijk verschil tussen de dichter en de prozaïst Van der Steen: de eerste schrijft (behalve waar hij De Schoolmeester, in de bundel Paaltjens Sr. [1939], imiteert) bij voorkeur kernachtige gedichten, met korte regels en zinnen; de prozaïst is nogal wijdlopig en de niet zelden originele onderwerpen die hij in zijn prozafictie aan de orde stelt, zouden bij het schrappen van structureel weinig ter zake doende uitweidingen beter tot hun recht zijn gekomen dan zij hebben gedaan. Er is ook een overeenkomst tussen gedichten en verhalend proza: in beide genres bedient Van der Steen zich graag van woordspelingen en is zijn toon (in wisselende mate) ironisch. Dat verklaart ook zijn voorkeur voor het aforisme en het fabriceren van dubbelzinnige grafschriften in de stijl van De Schoolmeester, waarin bovendien Techniek zijn veel geprezen rijmtechniek goed tot uitdrukking komt. Dat het bundeltje Alfabêtises (1955), zijn verzamelde aforismen, zijn vaakst gedrukte en alom gewaardeerde publicatie is geweest (door bloemlezers geplunderd), kan nauwelijks verwondering wekken. Van der Steens eerste bundels Gemengde Berichten, Nederlandsche liedjes en Droesem dateren uit de jaren 1928-1930, dus het einde van zijn studententijd. Hij wilde, zo onthulde hij aan interviewer Gerard Brands (1976), in plaats van met enkele gedichten in een gerespecteerd tijdschrift debuteren met drie bundels tegelijk, die hij had samengesteld uit zijn poëtische productie uit de genoemde jaren. Daarin slaagde hij niet: de volgorde waarin de bundels zijn verschenen, is dus volstrekt toevallig: critici die vonden dat Van der Steen in Droesem een Ontwikkeling/Techniek artistieke ontwikkeling had doorgemaakt, hebben, achteraf gezien, ongelijk gehad. Niet ontkend kan echter worden, dat de bundels vooral qua versvormen zo verschillend zijn, dat een oningewijd lezer niet snel op de gedachte komt dat zij terzelfder tijd tot stand zijn gekomen. Van der Steens voorkeur voor dubbelzinnigheid komt meteen al tot uitdrukking in de titel van zijn debuut Gemengde Berichten. Op het eerste gezicht heeft die betrekking op de twee soorten teksten, waaruit de bundel bestaat: ‘Bladvullingen’, waarmee nogal satirische verzen worden aangeduid (‘Als ik die ogen en die weke lippen gadesla/ dan wil ik meestal naar de Oost en soms naar Canada.’), en stukjes, gerangschikt naar zeer uiteenlopende onderwerpen, soms hilarisch, maar ook wel getuigend van sociale bewogenheid, zoals in ‘Staking’. Bij nader inzien zijn juist ook deze berichten ‘gemengd’: zij zijn wel afgedrukt als proza, maar als men ze hardop leest, blijken zij te rijmen, vaak op geraffineerde wijze, en dus evenals de ‘Bladvullingen’ als poëzie bedoeld. De bundel Nederlandsche Liedjes bevat geen gezangen over blanke duinen of Hollandse luchten, zoals de titel doet vermoeden, maar typisch Thematiek studentikoze gedichten, waarin zware thema’s als liefde, eenzaamheid en dood op ironische wijze worden aangeroerd. Het leverde Van der Steen het stempel ‘cynicus’ op (zie bijvoorbeeld Ter Braak en Donker), maar een lezer met enig psychologisch inzicht kan het niet Relatie leven/werk ontgaan dat de dichter zijn eigen melancholie en eenzaamheid in deze chansonachtige verzen heeft gemaskeerd. In formeel opzicht zijn deze gedichten voor een amper twintigjarige van een verbluffende veelzijdigheid: naast uiteenlopende series kwatrijnen met Techniek verschillende rijmtechniek vindt men een gedicht als ‘Morgenstond’, dat bestaat uit vier strofen van elk acht regels; verschillende verzen zijn opgebouwd uit telkens twee rijmende regels, maar er zijn ook strofenloze verzen. De ironie is sterk afgezwakt in Droesem (1933), dus de neerslag van ‘de wijn des levens’, een serie kwatrijnen (vanouds het vehikel voor bespiegelingen) over bijna dezelfde thematiek als van de Nederlandsche liedjes. De Thematiek eenzaamheid, veelal gekoppeld aan een immer stromende regen (Fens 1985 ziet Van der Steen terecht als onze ‘regendichter’ bij uitstek), overheerst nu. Van beide genoemde bundeltjes loopt een directe lijn naar Van der Steens Paaltjens Sr., dat pas in 1939 verscheen, maar (blijkens het nawoord bij de derde druk van Van der Steens ‘verzamelde Traditie poëzie’) niet veel later is geschreven. Hierin publiceerde hij een reeks gedichten in navolging van twee negentiende-eeuwse dichters, die net als hijzelf een (universitaire) Leidse achtergrond hadden en zich in hun literaire werk van een pseudoniem bedienden: Francois Haverschmidt, alias Piet Paaltjens, en Gerrit van der Linde Jz., die bekend werd als De Schoolmeester (dat ook deze in de bundel figureert, komt in de ondertitel van de bundel, ‘Somberder-Schoolmeester’, tot uitdrukking.) De knittelverzen in de stijl van De Schoolmeester zijn meesterlijke pastiches, nauwelijks van ‘echt’ te onderscheiden. In de afdeling met de woordspelige titel ‘Het Leiden van de jonge Paaltjens’ en in ‘Duetten’ staan veertig gedichten, die talrijke allusies op Snikken en Grimlachjes bevatten en direct de schok der herkenning oproepen. Zo is van het begin van ‘Duetten’ VIII: ‘Hoor ik violen stemmen,/ zoo’n g, of omstreeks zoo’n e,/ dan kan ik mijn tranen niet stremmen,/van weemoed en moedeloos wee.’ voor iedere enigszins onderlegde lezer onmiddellijk de ‘donortekst’ duidelijk: Paaltjens’ bekende Relatie leven/werk ‘Hoor ik op Sempre een waldhoorn…’ Maar in het tweede kwatrijn uit XI van de eerstgenoemde afdeling: ‘Zij wijdden de eerste jaren/ hoofdzakelijk aan de sport,/ zij gaven hun beste krachten/ aan rugby, roulette en Njord.’ is alleen het patroon Haverschmidtiaans, de inhoud komt geheel voor rekening van Eric van der Steen. Aan de publicatie van deze bundel gaan twee andere vooraf, die totaal anders zijn en ook onderling nogal verschillen: Kortom en Controversen, beide uitgekomen in 1938. De eerste bundel is ontstaan tijdens de reis die Van der Steen na zijn studiereis maakte (en is dus veel ouder dan de uitgave doet vermoeden.) De er in opgenomen gedichten bevatten soms rechtstreekse toespelingen op plaatsen, waar hij was geweest (‘het regent kort en zoel in nice’; ‘vanavond stroomt de neckar bijna glad’; ‘siena’s plein straalt voor ’t stadhuis een zonneboog’), maar ook verzen van universeler aard, waarin wederom het antithetische paar ‘liefde en Techniekeenzaamheid’ een belangrijke rol speelt. Overeenkomstig de titel zijn het veelal korte gedichten, titelloos, met een opvallende typografie (geen hoofdletters, geen interpunctie) en soms zeer opvallend rijm (‘wind’-‘in’), dat in bepaalde gedichten zelfs geheel ontbreekt. De opvallendste bundel van Van der Steen uit de jaren dertig was ongetwijfeld het meer dan zeventig bladzijden tellende Controversen (waarvan de kern was voorgepubliceerd in Voorwaardelijke wijs, als aflevering van Helikon eerder in hetzelfde jaar verschenen.) Het gaat om een bundel met louter sonnetten, wat des te meer opvalt, omdat Van der Steen tevoren slechts een enkele keer de sonnetvorm had gebruikt. De titel Controversen suggereert, meer dan in het geval van bijvoorbeeld Nederlandsche Liedjes of Droesem, een thematische eenheid in de bundel Thematiek en die blijkt ook inderdaad aanwezig: het meest naar voren springt het conflict tussen droom en werkelijkheid, romantiek en grauwheid, hoop en teleurstelling. Laatstgenoemde antithese overheerst in ‘Liefdeshistorie’: een aanvankelijk hooggestemde liefde (‘Ik triomfeerde op beschaafde wijze/ na drie belichtingen van Tolstoi’s strijd’) valt letterlijk in het water, omdat de aanbedene bemerkt dat haar minnaar nauwelijks kan zwemmen (‘reeds na mijn eerste zwem-kunst had zij ’t land.) Tot de gedichten van het erotische echec behoort ook ‘Tristitia’, over een geliefde met een uiteraard omineuze naam, die voorgoed uit het leven van de ik is verwenen (hetzij doordat zij is getrouwd, hetzij door haar dood; r. 6 laat beide interpretaties toe. Nogal wat verzen dus weer over de (mislukte) liefde, maar de controverse kan ook een protestkarakter krijgen: in het gedicht, dat zijn bekendheid vooral ontleent aan de ongewoon lange titel ‘Ik las Leopold in de cantine en dacht onder het uitrukken’, neemt (de persona van) de dichter, net als in twee andere sonnetten, stelling tegen het militarisme. De belangrijkste ‘strijd’ echter die Van der Kunstopvatting Steen in deze bundel voert is met de weerbarstigheid der woorden, die moeten passen in het metrum, liefst meervoudig van betekenis moeten zijn, diverse associaties moeten oproepen en daardoor kunnen leiden tot een hecht netwerk van beelden. Zijn werkwijze leverde bij critici zowel instemming als wrevel op, soms ook de bekentenis dat men hem in zijn Kritiek tuimelende woordenreeksen niet kon volgen. Zo bekende Hoornik (1939/1977) dat hij het meest werd geïntrigeerd door het gedicht ‘Isola Bella, of de room’, dat hij beschouwde als een ‘psychologisch zelfportret’ (wat het ongetwijfeld is), maar aan een analyse waagde hij zich niet. Wie als centrum het eenzame hart (de ‘melancholieke metronoom’) van de dichter neemt, krijgt meer greep op de bij eerste lezing verbijsterende reeks metaforen en vergelijkingen. Er zijn twee associatiereeksen, die door het opvallende woord ‘isabellablank’ in gang worden gezet. De eerste verloopt van ‘isabellablank’ via ‘Isola Bella’ naar ‘geïsoleerd’. De tweede berust op het gegeven dat het betreffende adjectief vooral gebruikt wordt bij paarden: vandaar de centauren in r. 3, de paarden in r. 4 en het briesen in r. 12. De room komt terug in r. 7, wordt in verband gebracht met ‘wij’ (de combinatie ‘wij en water’ is typerend voor de woordspeligheid van Van der Steen) en speelt dan de ‘hoofdrol’ in het eerste terzet, anticiperend op het neologisme ‘dromenstremsel’ (r. 13). Mijn ziel zij isabellablank als room-- Isola Bella in het diepe meer, centauren streken op je toppen neer, het water houdt de paarden nog in toom— maar één melancholieke metronoom, geïsoleerd als hagel in slecht weer, slaat wij en water, room en paarden neer: mijn hart, dat alleen dromen kan op broom. Van rozen, haring en zilveren prei neemt melk de zoete en brakke geuren aan: reeds afgeroomd wordt zij toch niet gekarnd; die centrifuge briest vergeefs in mij, het dromenstremsel heeft te lang gestaan- vergeefs wordt tegen wanden opgetornd. Ontwikkeling Het is niet verwonderlijk dat Van der Steen er niet in is geslaagd na deze overrompelende sonnetten en de anderszins unieke collectie imitaties in Paaltjens Sr. zich nogmaals te vernieuwen. Het als aflevering van Helikon verschenen bundeltje Cadans (1940) is een duidelijke voortzetting van Kortom (maar dan met langere gedichten, waaronder trouwens een parel: ‘Forum Romanum’); nieuwe, maar minder verrassende, sonnetten schreef hij in samenwerking met het jonge talent Max Schuchart (1920-2005), onder de titel Vice versa (1946); toen Van der Steen als dichter zijn lier aan de wilgen gehangen leek te hebben en voorgoed het proza omarmd leek te hebben, kwam er toch een nieuwe bundel met kwatrijnen: Het leven in vakken (1958), overigens al voor de oorlog als een vervolg op Droesem geschreven. Aparte vermelding verdient zijn poëtische vertaling van Euripides’ Alcestis, in 1946 in boekvorm verschenen; het stuk, gespeeld door de toneelgroep START, geregisseerd door Louis Saalborn, ging op 8 maart 1947 in de Amsterdamse Schouwburg in première. Het was de eerste naoorlogse voorstelling van een Griekse tragedie. In de periode 1946-1949 verschenen drie grote romans, een forse bundel korte verhalen en twee novellen. De romans (Loosdrecht [1946], Finishing Touch [1946] en Grote vacantie [1947]) Techniek hebben eenzelfde structuur: zij eindigen alle drie in een catastrofe, een ramp of op zijn minst in een hoop ellende. Dat laatste is het geval in Van der Steens romandebuut: Loosdrecht. Het verhaal is gesitueerd in de zomer van 1942, dus midden in de oorlog, waarvan de groep vrienden, gehuisvest in zomerhuisjes in het idyllische toeristenplaatsje, trouwens vrijwel niets Relatie leven/werk merkt. De verteller-protagonist (die de naam draagt van de schrijver en ook anderszins duidelijk trekken van hem vertoont: hij is dichter, verhalenschrijver, journalist) komt er voornamelijk in de weekenden, wat verklaart dat hij uitvoerig kan berichten over gezellige etentjes met lange gesprekken, over zwemmen en zeilen, maar niet in de gaten heeft dat zich in de relationele sfeer opvallende gebeurtenissen voltrekken. Daarvan is voor hem de meest pijnlijke, dat zijn vrouw Helen, mooi en door heel wat mannen met begeerte bekeken (zoals haar naam al doet vermoeden), plotseling een relatie blijkt te hebben met een andere Loosdrechtganger (de reden voor Helens overspel kan geen wraak zijn, omdat Eric zelf een slippertje heeft gemaakt, want daar weet zij niets van.) De nacht nadat hij van deze affaire heeft gehoord, wordt de oorlog voor het eerst manifest: met urenlang geronk trekken vliegtuigen vanuit Engeland over om hun bommenlast af te werpen. Het (symbolisch) verband tussen beide zaken is duidelijk: harmonie en rust zijn voorgoed verstoord. Een totaal ander onderwerp sneed Van der Steen aan in Finishing Touch, een roman over niets Thematiek meer of minder dan het einde van de wereld. De vage titel is bij de herdruk in de ABC-reeks veranderd in De beesten de baas, een goede verbetering, want het zijn inderdaad de beesten, die door een splitsing van de maan het naderend einde aanvoelen en zich in de laatste weken van hun bestaan wreken op de mensen: massaal verzamelen honden, katten, vogels, ratten etc. zich om hen aan te vallen. Deze apocalyptische toestanden worden beschreven in het dagboek van een nuchtere hardwerkende lerares, die schijnbaar onverstoorbaar van het ondanks alles doorgaande (school)leven notities blijft maken. Grote vacantie is een nogal ironische titel voor een roman, die wel begint met de beschrijving van een eindexamenfeestje van gymnasiasten, maar uitloopt op een regelrecht familiedrama van klassiek-tragische aard. Eén van de scholieren wordt de hoofdpersoon, Hans Peters, zoon van een architect, die lucht krijgt van de suspecte levenswandel van zijn vader: deze bedriegt zijn vrouw en perverteert jonge meisjes. De afkeer van zijn vader neemt dergelijke vormen aan dat, als hij zijn moeder ziet in een ‘tète-à-tète’ met een aanbidder, ook voor die situatie zijn vader verantwoordelijk stelt. Het komt zo ver dat hij zijn vader in de echtelijke slaapkamer met een dolkmes wil vermoorden, maar juist als hij zijn voornemen ten uitvoer wil brengen, klinkt er een pistoolschot: zijn moeder is hem voor geweest en heeft haar man om het leven gebracht. De roman eindigt met het verslag van de rechtszaak, waarin Hans’ moeder uiteraard terecht staat, maar over haar motieven voor de moord niets loslaat. Stijl/Techniek De romans hebben meer gemeen dan de fatale afloop: zij zijn in vlekkeloos Nederlands geschreven en bevatten veel dialoog, wat de leesbaarheid verhoogt. Maar door lang niet altijd thematisch gemotiveerde uitweidingen is het verhaaltempo is laag; opvallende handelingen van personages worden niet op een of andere wijze voorbereid of (psychologisch) Kritiek geïnterpreteerd. De criticus C.J. Kelk (1947 en 1949) sprak, in soms agressieve bewoordingen, een volstrekt negatief oordeel over de drie romans uit: naar zijn mening had Van der Steen zich veel te sterk laten inspireren door het werk van (de in zijn ogen verfoeilijke) Simon Vestdijk. In feite is er nauwelijks een groter verschil in narratieve techniek, compositie en stijl dan tussen het fictionele proza van deze twee auteurs denkbaar. Zo zou Vestdijk op de breuk tussen de hoofdpersoon en zijn vrouw in Loosdrecht hebben laten anticiperen (wellicht ook een ander perspectief gekozen hebben om dat op natuurlijke wijze te kunnen doen) en had hij zich in Grote vacantie gehouden aan het adagium van Tsjechov dat als er een schot valt, eerst het geweer getoond moet worden (zie Vestdijk 1947). Via de omweg van deze korte vergelijking Kunstopvatting krijgen we nog wat meer zicht op de verhaalpoëtica van Van der Steen: hij bekommert zich niet of nauwelijks om psychologische voorbereiding, de vertelde geschiedenis moet door afwisseling (uitweidingen) boeien en dan naar een plotseling, de lezer verrassend einde worden gevoerd. Een dergelijke methodiek past veel beter bij het korte verhaal en Van der Steens specimina van het genre zijn dan ook over het algemeen beter geslaagd dan zijn romans. De titel van zijn eerste (omvangrijke) bundel Zeepbellen en handgranaten (1947), met verhalen van zeer verschillende lengte en thematiek, duidt overigens wel aan dat hij hierin wederom naar het verrassingseffect streefde, soms van gruwelijke aard, zoals in ‘De mysterieuze vrouw’, dat eindigt in moord en zelfmoord in een gezinssituatie. Een echte ‘horror story’ is ‘Vitaminen’, waarin twee wetenschappers een kolossale spin kweken, waaraan zij zelf ten prooi vallen. Uiteindelijk slaagt men er in het monster onschadelijk te maken. ‘Tragi-komisch’ is de toepasselijke aanduiding van een kort verhaal, waarin twee overvallers van een tankstation door een stom toeval in een door hen zelf aangerichte vuurzee omkomen. Overigens is het niveau van de bundel wel erg wisselend: de omvang had tot de helft teruggebracht kunnen worden. Meer kwaliteit treft men aan in het honderd pagina’s tellende boekje Vuurwater (1956). Het boven reeds genoemde titelverhaal (of kleine novelle) is het beste dat Van der Steen in dit genre heeft geschreven. Het verhaal wordt gedaan door iemand die om te herstellen van overspannenheid naar een niet ver van zee gelegen villa ‘Weltevreden’ wordt gestuurd, waar hij zich niet geheel op zijn gemak voelt: hij begint meer en meer te drinken. Als hij dan, terugkomend van een wandeling in de duinen, van enige afstand de villa in vlammen ziet opgaan, is hij eerst overtuigd van de juistheid van zijn waarneming; later vraagt hij zich af of de door hem genoten alcohol (het vuurwater) hem geen parten heeft gespeeld. Juist deze narratieve dubbelzinnigheid, die de lezer in verwarring achter laat, mist men te veel in de rest van Van der Steens prozafictie. Traditie/ Verwantschap De dichter Van der Steen werd in de jaren dertig wel ingedeeld bij de ‘Amsterdamse School’, een groep, waarvan de kern werd gevormd door Den Brabander, Van Hattum en Hoornik. Kenmerkend voor deze dichters achtte men hun sociale bewogenheid, die zich uitte in anekdotische poëzie, bijvoorbeeld over politieke en sociale misstanden, in gewone taal, zoals die ook gebezigd was en werd door Greshoff en Du Perron. Al ontbrak het Van der Visie op het leven Steen niet aan sociaal engagement (men vergelijke zijn boven genoemde antimilitaristische gedichten en zijn besluit om voor het socialistische, ex-verzetsblad Het Parool te schrijven) het was niet de kern van zijn poëzie, die door een relativerende ironie, ook en vooral jegens zich zelf, werd beheerst. Bovendien, zo onthulde hij in een stuk in Literair Paspoort (1955), had hij de peetvaders van die School nog nooit gelezen, toen hij zijn eerste bundels schreef. Zijn echte leermeesters waren de Franse ‘fantaisistes’: Jean Pellerin, Paul-Jean Toulet en Tristan Derème (tweede decade van de vorige eeuw), met hun persoonlijke, muzikale, sierlijke gedichten, die bewust teruggrepen op oudere, vormvaste poëzie. Deze voorkeur verklaart mede Van der Steens poging te dichten in negentiende-eeuwse stijl, zoals hij in Paaltjens Sr. deed. Wat zijn verhalen betreft, kan men enige verwantschap zien met die van Belcampo, terwijl de roman Finishing Touch doet denken aan ‘Het grote gebeuren’, ook in 1946 verschenen. Van der Steen zocht echter zijn voorbeelden vooral in de Angelsaksische literatuur. Somerset Maugham was zijn leidsman, als het ging om het schrijven van lichtvoetige fictie: hij ging, zoals Van der Steen in één van zijn kritieken opmerkt, er terecht van uit, dat de gemiddelde lezer niet houdt van verfijnde, moeilijke analyses. Kritiek/Publieke waardering De waardering voor de poëzie van Van der Steen bij critici is wat wisselend geweest: zo werd Gemengde berichten zeer ironisch door Henri Borel besproken, maar nogal enthousiast door Anton van Duinkerken (die, met vooruitziende blik, een nieuwe Paaltjens zag verrijzen). Simon Vestdijk achtte Kortom en Voorwaardelijke wijs, hoewel het in beide gevallen ging om tijdschriftafleveringen, belangrijk genoeg om er uitvoerig op in te gaan: hij was met name geboeid door de dubbelzinnigheid, het evenwicht zoekende element in Van der Steens gedichten, zo kenmerkend voor zijn eigen werk. De meeste aandacht heeft Controversen gekregen: Hoornik vond de sonnetten nogal eens gezocht (vide supra), P.H. Ritter jr. loofde daarentegen ‘de lenigheid van het gedachten- en gevoelsleven van deze poëzie’, Ter Braak (1939/1951) zag er een superieur spel met ‘woorden en waarden’ in, maar Marsman (1938/1960) bleek ronduit verrukt en rekende de bundel vanwege de ‘pijlsnelle, moderne intelligentie’ en het ’byroniaans esprit’ tot het allerbeste dat hij in tijden van een jonge dichter had gezien. Geen van de vooroorlogse bundels van Van der Steen is apart herdrukt, maar toen hij in 1955 zijn Gemengde berichten, een ruime selectie van het merendeel van zijn bundels, werd aan de uitgave opvallend veel aandacht besteed en kwam er snel een herdruk. Bij verschijning van de (sterk uitgebreide) derde druk in 1976 leek het er op dat Van der Steen als dichter was herontdekt, getuige diverse enthousiaste besprekingen, het opvallend uitgebreide interview met Gerard Brands in Hollands Diep en de invitatie die hij kreeg om op te treden bij Poetry International (Rotterdam 1976.) Lang heeft deze opleving echter niet geduurd. Met zijn romans en verhalen had Van der Steen weinig succes en de reden ligt voor de hand: zij sloten totaal niet aan bij de naoorlogse prozafictie, waarin veelal psychologisch te duiden, in hoog tempo verhaalde, verwikkelingen tussen personages centraal stonden. Dat dit deel van zijn werk in totale vergetelheid is geraakt, is dan ook weinig verwonderlijk. Een groot publiek heeft Van der Steen nooit gehad, maar er bestaat nog steeds een groep liefhebbers van zijn ironische, spitsvondige gedichten, die zich wellicht zou kunnen uitbreiden, indien aan het verzoek van Kees Fens (1985) een nieuwe bloemlezing uit zijn (gebundelde en ongebundelde) poëzie te maken uitvoering zou worden gegeven.
3. Primaire bibliografie Eric van der Steen, Gemengde berichten. Utrecht 1932, De Gemeenschap, GB. --Nederlandsche Liedjes. Utrecht z.j. (1932), De Gemeenschap, GB. --Droesem. In: Vrije Bladen jrg. 10 (1933), Schrift 2, GB. --Voorwaardelijke wijs. Gedichten. In: Helikon jrg. 8 (1938), nr. 2, GB. --Kortom. In: Vrije Bladen jrg. 15 (1938), Schrift 7, GB. --Controversen. Santpoort 1938, C.A. Mees, GB. --Paaltjens Sr. (Somberder-Schoolmeester). Rotterdam z.j. (1939), Nijgh & Van Ditmar, GB. --Cadans. In: Helikon jrg. 10 (1940), nr. 9, GB. --Loosdrecht. Amsterdam 1946, C. de Boer Jr., R. Euripides, Alcestis. Vertaling door Eric van der Steen. Met een inleiding van Dr. J.C. Kamerbeek. Amsterdam 1946, C. de Boer Jr., Vert. Eric van der Steen en Max Schuchart, Vice versa. Sonnetten. Amsterdam 1946, C. de Boer Jr., GB. Eric van der Steen, Finishing touch, Amsterdam 1946, C. de Boer Jr., R. (tweede druk als ABC-pocket, onder de titel De beesten de baas. Amsterdam 1957, De Arbeiderspers) --Zeepbellen en handgranaten. Amsterdam z.j. (1947), De Arbeiderspers, NB. --In het huis van den dichter. Amsterdam 1947, C. de Boer Jr., N. --Grote vacantie. Haarlem 1947, De Gulden Pers, R. --Zeven dromen. Amsterdam 1947, De Arbeiderspers, jeugdroman. --Zo ver mogelijk van Kerstmis af…Amsterdam z.j. (1949), Amsterdamse Grafische School, N. --Alkmaar. Amsterdam 1954, De Bezige Bij, Gedenkboek (met foto’s) --Zestien kwatrijnen uit ‘Het leven in vakken’. Utrecht 1955, De Roos, GB. --Gemengde berichten. Verzamelde verzen. Amsterdam 1955, De Arbeiderspers, Bl. (tweede druk 1957; derde, sterk uitgebreide druk, met ondertitel ‘Gedichten 1932-1958’, Amsterdam 1976, Querido) --Alfabêtises. Ook wel genaamd margarinalia. Amsterdam 1955, De Arbeiderspers, Aforismen. (vierde, uitgebreide druk, Amsterdam 1969, Querido; vijfde, opnieuw uitgebreide druk: Uitgebreid met imbecelliteiten. Amsterdam 1974, Querido) --Vuurwater. Korte verhalen. Amsterdam 1956, De Arbeiderspers, NB. --Het leven in vakken. Amsterdam z.j. (1958), A.J.G. Strengholt’s Uitgeversmaatschappij N.V., GB. --Ja-knikken tegen Drenthe. Assen 1964, Provinciaal bestuur Drenthe, Reisverslag/Gidsje. Eric Esurio (D. Zijlstra/Eric van der Steen), Uit eten onder een tientje in Amsterdam. Amsterdam 1971, Perscombinatie NV, Culinaire gids. (Tweede, uitgebreide druk Amsterdam 1973, De Bezige Bij) D. Zijlstra, Sportsterren van toen. Amsterdam 1971, Perscombinatie NV, Interviews. Eric Esurio, Vreemd gaan eten in Amsterdam. Amsterdam 1974, De Bezige Bij, Culinaire gids. Eric van der Steen, Het graf van Heinrich Heine. Bezorgd en uitgeleid door Kees Aarts e.a., Amsterdam 2007, Zwarte Roos, E. 4. Secundaire literatuur Henri Borel, Twee moderne verzenbundels. In: Het Vaderland, 28-2-1932. (over Garmt Stuiveling, Elementen en Gemengde berichten) Anton van Duinkerken, Boek van de week. In: De Tijd, 30-3-1932. (onder meer uitvoerig over Gemengde berichten) J.C. Bloem, Balans? In: Den Gulden Winckel jrg. 32 (1933), nr. 3, pp. 46-48 (over diverse bundels, onder meer Van der Steens Gemengde berichten en Nederlandsche liedjes; herdrukt in Het onzegbare geheim, ed. H.T.M. van Vliet, Amsterdam 1995, pp. 545-550) S. Vestdijk, Poëzie op de wip. In: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 21-5-1938. (over Voorwaardelijke wijs) -- Eric van der Steen: Kortom. In: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 2-8-1938. P.H. Ritter jr., Nieuwe poëzie. Een verzenbundel van Eric van der Steen en een van Jac. van Hattum. In: Utrechtsch Dagblad, 8-10-1938. (onder meer over Controversen) Dick Eskes, De dichter Eric van der Steen. In: Propria Cures, 15-10-1938 (algemene kenschets) H. Marsman, Triomf van het poëtisch cynisme. In: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 29-12-1938. (over Controversen; opgenomen in Verzameld Werk, Amsterdam 1960, p. … Ed. Hoornik, Nieuwe poëzie: Eric van der Steen. In: Groot Nederland jrg. 37 (1939), I, nr. 3, pp. 296-300. (over Controversen; laatstelijk herdrukt in Kritisch proza, Amsterdam 1977, pp. 82-86) M.t.B. (Menno ter Braak), Piet Paaltjens Jr. en Sr.: De Janus der ironie. In: Het Vaderland, 30-12-1939. Anthonie Donker, Eric van der Steen. In: Hannibal over den Helicon?Een nieuwe dichtergeneratie en haar werkelijkheid, Arnhem 1940, pp. 105-111. Johan de Molenaar, Eric van der Steen: Controversen. In: Elseviers geïllustreerd maandschrift jrg. 50 (1940), nr. 1, pp. 75-76. A. Marja, Lotgevallen van de dichtkunst. In: Elseviers geïllustreerd maandschrift jrg. 50 (1940), nr. 6, pp. 500-505. (onder meer over Paaltjens Sr.) P.J. Huincks, De dichter Eric van der Steen. In: Contact jrg. 7 (1940), nr. 2, pp. 56-57. (over Paaltjens Sr.) Maurits Uyldert, Nieuwe Nederlandsche Poëzie. Verzen van Vasalis en Eric van der Steen. In: Algemeen handelsblad, 11-5-1941. (onder meer over Cadans) H.G. Hoekstra, De dichter in duel. In: Criterium jrg. 3 (1942), nrs. 1-2, pp. 66-71. (algemene karakteristiek van Van der Steens dichterschap) Jos Panhuijsen, Loosdrechtvaarders en Maquisards. In: De Nieuwe Eeuw, 18-1-1947. (onder meer over Loosdrecht) C.J. Kelk, His master’s voice. In: Critisch Bulletin jrg. 14 (1947), nr. 2, pp. 69-72. (over de te grote invloed van Vestdijk op de romans Loosdrecht en Finishing touch) W.E.J. Kuiper, Boekbespreking: Alcestis door Euripides. Vertaling door Eric van der Steen. In: Hermeneus jrg. 18 (1946-1947), nr. 8, pp. 124-126. (nogal kritisch) W.J. van der Molen, Onbevredigende zakenrelatie. In: Criterium jrg. 5 (1947), nr. 5, pp. 334-335. (over Vice versa) Barend Rijdes, Van der Steen’s Alcestis-vertaling. In: Ad interim jrg. 4 (1947), nr. 3, pp. 57-58. S. Vestdijk, Schipbreuk in een vijver. In: Je Maintiendrai, 5-9-1947. (over Grote vacantie) -- Proza van een speels dichter. In: Het Parool, 24-4-1948. (over Zeepbellen en handgranaten, In het huis van den dichter, Grote vacantie) C.J. Kelk, Klein boek, klein kwaad. In: Critisch Bulletin jrg. 16 (1949), nr. 1, pp. 44-47. (onder meer over de novelle In het huis van den dichter) -- Een oude koe. In: Critisch Bulletin jrg. 16 (1949), nr. 1, pp. 47-48. (over de clichématige oedipale thematiek in Grote vacantie) Menno ter Braak, De ‘cynici’. In: Verzameld werk, deel 7, Amsterdam 1951, pp. 188-194. (over Controversen en Rudi van Lier, Praehistorie) Pierre H. Dubois, Twee dichters en hun werkelijkheid: Eric van der Steen en Willem Brandt. In: Het Vaderland, 5-11-1955. (onder meer over Gemengde berichten) A. Marja, Stem van een tijdperk. In: Haagsch dagblad, 10-11-1955. (over Gemengde berichten) Eric van der Steen, Herinneringen aan drie ‘fantaisistes’. In: Literair Paspoort jrg. 10 (1955), nr. 6, pp. 226-227. Hans Roest, Het eeuwig, eeuwige lied van de regen. In: Maasbode, 7-12-1955. (over Gemengde berichten) Hans Warren, Werkjes van Eric van der Steen: Alfabêtises en Vuurwater. In: Provinciale Zeeuwse Courant, 5-5-1956. C.J.E. Dinaux, Driemaal Eric van der Steen: Gevaarlijk spel. In: Haarlems Dagblad, 12-5-1956. (over Gemengde berichten, Alfabêtises, Vuurwater) Adriaan Morriën, Aanval en verdediging. In: Het Parool. 22-12-1956. (over de verzamelde gedichten van Han G. Hoekstra en Gemengde Berichten; opgenomen in: Brood op de plank, Amsterdam 1999, I, pp. 527-530) Herman Hofhuizen, Eric van der Steen: Gefascineerd door het woord. In: De Tijd, 16-2-1957. (interview) J. M. Vr(eugdenhil), Eric van der Steen: De beesten de baas. In: Ontmoeting jrg. 11 (1957-1958), nr. 4, p. 121. Jan Elemans, Eric van der Steens ‘Gemengde berichten’. In: De Tijd, 5-10-1957. Gerard Brands, Vaudeville: Verzamelde verzen. In: Hollands Diep, 8-5-1976. (interview) Max Nord, Speels dichter, vriendelijk spotter. In: Het Parool, 15-5-1976. (over de herdruk van Gemengde Berichten) Kees Fens, Verzenmaker Eric van der Steen zet randfiguren op het trottoir. In: de Volkskrant, 22-5-1976. (over de herdruk van Gemengde Berichten) Helma Wolf-Catz, Gevarieerde gedichten van een fijnproever. In: Amerfoortse Courant, 24-7-1976. (over de herdruk van Gemengde Berichten) Rudi Boltendal, ‘Gemengde berichten’ in dichtvorm. In: Leeuwarder Courant, 7-8-1976. (over Hans Edinga en Eric van der Steen) A.C. Haak, Melpomene en het Nederlandse toneel. Opvoeringen van antieke tragedies door Nederlandse gezelschappen tussen 1885 en 1975, Diss. Utrecht 1977, p. 134-136. (over de opvoering van Euripides’ Alcestis in de vertaling van Van der Steen, met een overzicht van de toneelrecensies) Max Nord, Eerbetoon voor Han G. Hoekstra en Eric van der Steen. In: Het Parool, 6-9-1985 (over de toekenning van de Jacobsonpenning aan beiden) --Eric van der Steen: Glimlach en grimlach. In: Het Parool, 7-11-1985. (necrologie) Kees Fens, In de regen. In: de Volkskrant, 15-11-1985. (beschouwing over het bij Van der Steen dominante regenmotief, naar aanleiding van diens overlijden) S.A.J. van Faassen, Eric van der Steen. 1907-1985. In: ’T is vol van schatten hier…Amsterdam-’s-Gravenhage 1986, deel I, pp. 318-319. (uitgave Letterkundig Museum over ‘gecanoniseerde’ auteurs)
|